BSO en huisvesting
- BSO en huisvesting
- BSO binnen het schoolgebouw
- Verhuren van een schoollokaal
- "volgtijdelijke" leegstand of dubbelgebruik.
- "ruimtelijke" leegstand met oorspronkelijk onderwijsbestemming
- Aanbouw ruimte zonder onderwijsbestemming
- Nieuwbouw school / Brede school
BSO en huisvesting
Door de grote toestroom van kinderen in de BSO is er grote behoefte aan uitbreiding van het aantal BSO’s in Nederland. Als een school besluit om BSO op eigen grond te regelen kan dit al dan niet in samenwerking met een kinderopvangorganisatie in het gebouw zelf gerealiseerd worden of in een zogenaamde BSO-box of kindercaravan op het plein. Niet iedere school ziet het zitten om de lokalen die overdag voor de lessen worden gebruikt na school voor de BSO in te zetten. Maar ook niet iedere school heeft de luxe van een leegstaand lokaal dat daarvoor gebruikt kan worden. Staat er wel een lokaal leeg dan moeten er duidelijke afspraken gemaakt worden met de gemeente over de onderwijsbestemming van het lokaal. Wil een school een noodvoorziening op het plein dan staat deze er ook niet binnen een dag, ook hierover moeten scholen in overleg met de gemeente. Niet erg verwonderlijk dat veel scholen hebben gekozen voor het ‘makelaarsmodel’ waarbij de school de organisatie van de BSO uitbesteed aan een kinderopvang organisatie.
terug naar boven
BSO binnen het schoolgebouw
BSO binnen het schoolgebouw kan plaatsvinden in een lokaal dat leegstaat en geheel gehuurd wordt door een kinderopvang organisatie, maar het kan ook in een lokaal plaatsvinden waar overdag les wordt gegeven. Wanneer BSO binnen een schoolgebouw wordt aangeboden kan daar op verschillende manieren mee worden omgegaan. Het is belangrijk om goede afspraken te maken met de opvangorganisatie. De eigendomssituatie van het schoolgebouw en het terrein is van belang bij het maken van keuzes. Er zijn verschillende constructies mogelijk voor het inpandig huisvesten van BSO. Voor- en naschoolse opvang aanbieden in de school heeft een aantal voordelen. Men heeft geen vervoer van de opvang naar de school en vice versa nodig. Het leidt tot een efficiënt(er) gebruik van ruimtes en de beroepskrachten komen elkaar automatisch tegen wat de samenwerking kan vergemakkelijken. De samenwerking tussen school en opvang kan verschillende vormen aannemen.
terug naar boven
Verhuren van een schoollokaal
Als de gemeente bij “ruimtelijke” of “volgtijdelijke” leegstand geen gebruik maakt van haar vorderingsrecht zoals beschreven in artikel 107 van de WPO, kan het schoolbestuur de ruimte in medegebruik geven of verhuren aan derden (artikel 108 WPO). Daarvoor is wel schriftelijke toestemming van de gemeente nodig.
Medegebruik beperkt zich tot de volgende, niet commerciële situaties: voor een andere school, educatieve doeleinden, culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Aangezien buitenschoolse opvang een commerciële activiteit is, kan de ruimte niet in medegebruik worden gegeven aan een kinderopvangorganisatie. Omdat medegebruik wordt geacht op niet commerciële basis plaats te vinden, kan alleen een vergoeding worden verlangd als dekking in de exploitatiekosten. Een vergoeding van de stichtingskosten is in dit kader niet mogelijk.
Verhuur tegen commercieel tarief (dat wil zeggen een kostendekkende huurprijs: dekking van stichtings- en exploitatiekosten) kan wel plaatsvinden bij buitenschoolse opvang. Het huurcontract is dan een contract tussen schoolbestuur en huurder. De exploitatiekosten kunnen worden gezien als dekking van de kosten die het schoolbestuur maakt. Als grondslag hiervoor wordt een bedrag uit de programma’s van eisen voor materiele instandhouding gehanteerd. Voor 2008 is dat bedrag € 4.285,-. De stichtingskosten worden doorgesluisd naar de gemeente. De hoogte daarvan is afhankelijk van de lasten die de gemeente aan dat deel van het gebouw heeft.
Indien in verband met de verhuur door het schoolbestuur voorzieningen nodig zijn aan een gebouw, dan is de gemeente, op basis van artikel 109 WPO niet gehouden tot vergoeding daarvan. Datzelfde geldt indien in verband met verhuur aangebrachte voorzieningen dienen te worden verwijderd. Tussen huurder en verhuurder moeten hierover afspraken worden gemaakt die ook worden vastgelegd in de huurovereenkomst.
Om te voorkomen dat er tussen een gemeente en verschillende schoolbesturen binnen een gemeente allerlei individuele afspraken moeten worden gemaakt die steeds verschillend uitpakken is er in de huisvestingsverordening een mogelijkheid opgenomen om via het op overeenstemming gericht overleg (OOGO) afspraken te maken. Die afspraken kunnen worden opgenomen in de verordening of een bijlage daarvan. Het is ook mogelijk om er een beleidsregel van te maken.
terug naar boven
"volgtijdelijke" leegstand of dubbelgebruik.
De buitenschoolse opvang kan plaats vinden in een ruimte die tevens in gebruik is als klaslokaal. Een schoolbestuur kan een of meerdere ruimtes die buiten schooltijd niet gebruikt worden verhuren. Om te kijken of dubbelgebruik haalbaar is, moet er geeken worden of het lokaal/schoolgebouw voldoet aan de eisen die aan een BSO ruimte gesteld worden. Deze aanpak vergt vooral een andere manier van denken over het omgaan met de ruimtes. Naast het gebruik van een of meerdere klaslokalen zal de BSO ook gebruik moeten maken van de keueken, de gangen en het speellokaal en zal er een eigen plek moeten zijn voor het BSO personeel, liefst een eigen kantoor of teamruimte, waar spullen goed en veilig opgeborgen kunnen worden. Hier kunnen eventueel ook oudergesprekken worden gevoerd. wanneer dit niet mogelijk is, is een mobiele, afsluitbare kast een optie. Wat men ook in de gaten moet houden is of de buitenspeelruimte na schooltijd exclusief voor de BSO is, of is het plein ook toegankelijk voor de rest van de buurt? Wanneer er ook buurtkinderen op het plein spelen vraagt dit om extra regels en toezicht van de pedagogisch medewerkers.
Bij deze vorm van samenwerking zullen er duidelijke afspraken moeten worden gemaakt over verscheidene organisatorische zaken.
-
Hoe snel na schooltijd is het klaslokaal beschikbaar en zijn er geen ouders, kinderen en teamleden van school meer? Wanneer kan het BSOpersoneel in het lokaal om spullen klaar te zetten en kan de groepsleerkracht nog even blijven opruimen of nakijken in de eigen ruimte.
-
hoe wordt het lokaal opgeleverd dan wel achtergelaten door de laatste gebruiker. Is er een overdrachtsschrift gewenst met betrekking tot de ruimte? Bijvoorbeeld om te melden dat bepaalde spullen kapot zijn. Structureel overleg tussen groepsleerkracht en BSOteam over het medegebruik is noodzakelijk.
-
De schoonmaak van het lokaal door het schoonmaakbedrijf (lokaal en toiletten worden intensiever en langer gebruikt); de meerkosten worden gedeeld of verdisconteerd in een andere post.
-
Afspraken over het gebruik van elkaars materiaal. Creatieve- en schrijfmaterialen, computers (netwerken en internet), buitenspelmateriaal etc. Wanneer spullen gedeeld kunnen worden, scheelt dit in de (aanschaf- en onderhouds)kosten.
- Afspraken rond het openen en sluiten van het gebouw, ook in vakanties en op margedagen (sleutels, alarmcodes en noodnummers).
-
Veiligheids-/brandweereisen van school zijn anders dan die van de kinderopvang (bijvoorbeeld: is de nood-/transparantverlichting noodzakelijk aan het einde van de dag?). Zijn er aanpassingen nodig? Kinderopvang dient een enkele aanpassing te doen volgens de voorschriften die voor hen gelden.
- Wanneer de BSO kinderen van verschillende scholen opvangt, is het noodzakelijk margedagen af te stemmen. Als een school vrij is, maar de school waar de opvang huist niet, is het klaslokaal niet voor BSO beschikbaar en moet een oplossing gevonden worden voor de kinderen die wel vrij hebben en naar de opvang komen.
Scholen en School en kinderopvang zijn gelijkwaardige partners, waarbij de kinderopvang ruimte voor medegebruik huurt. In de praktijk gaan echter onderwijsbelangen voor, maar gelukkig zien ook directies van scholen steeds meer het belang van voldoende en kwalitatief goede kinderopvang gekoppeld aan of in de school. Een positieve houding over het delen van ruimten voor beide partijen is een must. Het is lastig om in de hogere groepen binnen een klaslokaal BSO te organiseren. Menig lokaal staat vol met tafels en stoelen en de materialen die van de klas zelf zijn. Veel ruimte voor spelen en activiteiten is er dan niet. STOOM Architectuur heeft een plan en ontwerp gemaakt om klaslokalen snel om te bouwen tot een ruimte voor buitenschoolse opvang, de Schoolschakelaar. Men heeft zich laten inspireren door het theater, waar tussen de bedrijven door een decor volledig verandert. (link pdf bestand ‘schoolschakelaar’)
terug naar boven
"ruimtelijke" leegstand met oorspronkelijk onderwijsbestemming
Bij het onderbrengen van BSO in een lokaal dat leeg staat in een bestaand schoolgebouw is het allereerst van belang om de eigendomssituatie te bekijken. Meestal is het schoolbestuur de (juridisch) eigenaar. Dit is echter een eigendomssituatie met beperkingen. Wanneer er "ruimtelijke" leegstand is in een schoolgebouw en het schoolbestuur wil die ruimte verhuren, dan is die verhuur aan diverse voorwaarden verbonden.
Indien een schoolbestuur wil overgaan tot verhuur van een ruimte dan is hiervoor toestemming van de gemeente nodig. Een huurovereenkomst zonder toestemming van de gemeente is in principe nietig. De verhuur eindigt van rechtswege als de ruimte nodig is voor de eigen school als gevolg van een uitbreiding van het aantal groepen of als de gemeente gebruik maakt van haar vorderingsrecht. Artikel 230a van Boek 7 Burgerlijk Wetboek, waarin de ontruimingsbescherming wordt geregeld, is niet van toepassing. Dit is dus een onzekere constructie. Om de huurder meer bescherming te bieden zijn er twee mogelijkheden:
-
Er kan een verzoek worden ingediend bij de gemeente om een gedeelte van het gebouw, zoals beschreven in artikel 110 WPO, aan de onderwijsbestemming te onttrekken. Hiervoor moet een akte worden opgemaakt die wordt ondertekend door de gemeente en het schoolbestuur. Wanneer de akte een feit is kan het bevoegd gezag het desbetreffende gedeelte van het gebouw met toestemming van de burgemeester en wethouder verhuren.
-
De tweede mogelijkheid staat beschreven in de gemeentelijke huisvestingsverordening. Gemeente en schoolbestuur verklaren gezamenlijk dat een bepaald deel van een gebouw niet meer behoort tot de capaciteit van het schoolgebouw. Een dergelijke verklaring moet in de gemeentelijke huisvestingsadministratie worden opgenomen. Die afspraak brengt met zich mee dat bij een groei van een aantal leerlingen het betreffende gebouwdeel buiten beschouwing wordt gelaten bij de beoordeling van de uitbreidingsbehoefte. Een huurder is dan ook gevrijwaard van het risico dat hij het gehuurde gebouwdeel moet verlaten vanwege groei van leerlingaantallen / vorderingsrecht
Bekend is dat de gemeente in deze situaties het grote struikelblok is. Scholen en kinderopvangorganisaties zijn er na een tijd overleggen uit hoe ze de organisatie van BSO in de school zouden willen aanpakken, maar wachten nog op het groene licht van de gemeente die traag is en vaak uiteindelijk dwars ligt. Er zijn overigens voorbeelden van organisaties en scholen die niet hebben gewacht op het oordeel van de gemeente, maar tot actie zijn overgegaan. Ze lopen de kans dat de gemeente de lokalen ooit opeist, maar daar maakt men zich niet al teveel zorgen over.
terug naar boven
Aanbouw ruimte zonder onderwijsbestemming
Indien er in een schoolgebouw geen leegstand aanwezig is kan worden bekeken of de mogelijkheid bestaat om een ruimte aan de school vast te bouwen, of een tijdelijke voorziening op het schoolplein te plaatsen (zoals de BSO-box). Ook hierin kan de eigendomssituatie waarbij het schoolbestuur juridisch en de gemeente economisch eigenaar is een lastig element zijn. Daar komt bij dat de gemeente ook economisch eigenaar is van het onderliggende terrein. Wanneer een deel van het schoolgebouw uit eigen middelen wordt bekostigd door het schoolbestuur of een derde partij ten behoeve van de BSO, betekent dit wanneer het gebouw buiten gebruik wordt gesteld ook dat gebouwdeel eigendom van de gemeente wordt. Als de ruimte uit eigen middelen van het schoolbestuur wordt bekostigd moet er een huurovereenkomst worden gesloten tussen het schoolbestuur en de gebruiker. Daarin kan ook worden aangegeven dat de ruimte geen onderwijsbestemming heeft en niet uit gemeentelijke middelen is bekostigd. Dit is geregeld in de huisvestingsverordening van de gemeente. In bijlage III, deel A, punt 1.1. is opgenomen dat indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen en hiervoor geen rijksvergoeding wordt genoten, dit deel niet tot de capaciteit wordt gerekend.
terug naar boven
Nieuwbouw school / Brede school
Wanneer er een nieuw schoolgebouw (brede school) wordt gebouwd is dat een heel ander uitgangspunt. Er zijn dan veel meer mogelijkheden om alles af te stemmen. Daarbij is het heel belangrijk om van te voren op een rij te zetten welke stappen er moeten worden ondernomen om tot een gedegen opzet voor beheer en exploitatie van de brede school te komen. De keuze voor het eigendomsmodel is in deze bepalend voor de verdere afspraken. De wensen van de gebruikers zijn hierbij leidend voor de uiteindelijke keuze. Bij nieuwbouw is er dus een grotere mate van vrijheid. Hieronder worden de mogelijke eigendomsvormen besproken. Bij de eerste drie opties ligt het beheer bij één van de hoofdgebruikers. Deze coördineert en regelt het beheer van het hele gebouw, maar draagt ook het grootste risico. Voor de instellingen betekent dit dat er één aanspreekpunt is. Er kunnen wel activiteiten worden uitbesteed aan derden. Door het beheer bij één partij te leggen kan dat wel leiden tot kostenreductie omdat de afstemming minder tijd hoeft te kosten.
het schoolbestuur is eigenaar: In principe treed het schoolbestuur op als opdrachtgever bij de realisatie van een project (maar daar kunnen ook andere afspraken over worden gemaakt). Het schoolbestuur wordt dan ook de eigenaar van het schoolgebouw. Wanneer het schoolbestuur niet optreed als bouwheer kan na oplevering de eigendom worden overgedragen aan het schoolbestuur. Het schoolbestuur maakt in dit geval na overleg met de gemeente afspraken met de gebruikers van het gebouw.
de gemeente is eigenaar: Van dit eigendomsmodel is sprake als de gemeente ook het bevoegd gezag is (vaak bij openbare scholen) of als dat zo is afgesproken. Het schoolbestuur betaalt dan een (fictieve) huur aan de gemeente. Er is dan eigenlijk sprake van gebruik in plaats van huur. Doorgaans wordt met het onderwijs een gebruiksovereenkomst afgesloten waarin wordt vastgelegd dat de school gebruiksrechten krijgt die vergelijkbaar zijn met een situatie waarin het schoolbestuur eigenaar is van het gebouw. Voor een schoolbestuur is dit niet altijd een gunstige variant omdat de gemeente zeggenschap heeft over de accommodatie en het terrein.
een derde partij is eigenaar: Bij deze variant ligt het eigendom bijvoorbeeld bij een woningcorporatie of andere privaatrechtelijke partij. De school mag gebruik maken van het gebouw en betaalt daarvoor huur. Het kan ook voorkomen dat de gemeente het schoolgebouw aan het bevoegd gezag in gebruik geeft. Ook hierbij is de zeggenschap van het schoolbestuur beperkt.
er is sprake van een mengvorm: Bij gemengd eigendom komt de vereniging van eigenaren (VvE) in de vastgoedwereld het meeste voor. Een zelfstandige beheerorganisatie in de vorm van een beheerstichting wordt veel toegepast bij brede scholen.
- de VvE: Schoolbesturen en gemeenten hebben hier doorgaans weinig ervaring mee. Bij een VvE wordt het gebouw gesplitst in appartementsrechten. Een eigenaar van een bouwdeel krijgt het exclusieve gebruiksrecht over het eigen bouwdeel. Het appartementsrecht regelt de mede-aansprakelijkheid en het mede-eigendom van alle gemeenschappelijke delen van het gebouw en terrein. Het Burgerlijk Wetboek stelt een aantal dwingendrechtelijke randvoorwaarden aan de splitsing van een gebouw, de oprichting en het functioneren van een VvE. Daardoor zijn extra administratieve werkzaamheden en extra overleg noodzakelijk. In de praktijk wordt gekozen voor een VvE als iedere partner in de brede school eigenaar wil zijn van het eigen gebruiksdeel.
- zelfstandige beheerorganisatie: De gebruikers werken samen en dragen gezamenlijk zorg voor het beheer van het gebouw. Er wordt een beheerorganisatie ingericht die toeziet op het beheer van het gebouw. In een aantal gevallen wordt het beheer en de exploitatie ondergebracht in een aparte stichting of vereniging. Het is wel belangrijk om vast te leggen wie, waarvoor het vaste aanspreekpunt is binnen de beheerorganisatie.
terug naar boven